Search

Veiligheidsbeleid

 

Veiligheidsbeleid  o.b.s. Het Veenpluis

Inhoud

Inleiding. 3

Wat verstaan we onder ongewenst gedrag?. 5

Leerlingen-enquête veiligheid op school 11

Ouder-enquête. 13

ONGEVALLENMELDINGSFORMULIER ARBEIDSINSPECTIE. 15

INCIDENTENREGISTRATIEFORMULIER. 17

checklist arbobeleid agressie en geweld. 22

WILLEN.. 22

WETEN.. 22

WEGEN.. 22

WERKEN.. 23

WAKEN.. 23

GEDRAGSCODE. 25

PROTOCOL BEDREIGINGEN.. 27

ROUTE BIJ MELDEN GEWELD.. 29

PESTPROTOCOL. 31

HET PROBLEEM DAT PESTEN HEET: 33

REGELS  DIE GELDEN IN ALLE GROEPEN: 36

AANPAK VAN DE RUZIES EN PESTGEDRAG IN VIER STAPPEN: 38

CONSEQUENTIES VAN PESTGEDRAG.. 39

SCHOOLREGELS. 45

Het bestuur hecht zeer aan het handhaven van gezamenlijk afgesproken gedragsregels in het kader van het voorkomen van ongewenst gedrag. De zorg voor een veilig schoolklimaat is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle bij de school en het werk van de school betrokken mensen.

In bepaalde situaties (bijvoorbeeld na een melding van een vermeend zedenmisdrijf en een redelijk vermoeden van een strafbaar feit) is het bestuur verplicht aangifte te doen bij politie of justitie.

Vanwege de impact voor de school en de daarbij behorende juridische en procedurele problematiek zal het bestuur in die situaties altijd ook onmiddellijk juridische ondersteuning inroepen.

Op 28 juli 1999 is de wetswijziging bestrijding van seksueel misbruik en seksuele intimidatie in het onderwijs in werking getreden. Deze wetgeving geldt voor de onderwijssectoren PO, VO en BVE.
De wet bevat een aangifteplicht voor het bevoegd gezag (schoolbestuur) en een meldplicht voor het personeel bij een zedenmisdrijf. Het gaat in de wet om strafbare vormen van seksuele intimidatie en seksueel misbruik: zedenmisdrijven, zoals ontucht, aanranding en verkrachting, gepleegd door een medewerker van de onderwijsinstelling jegens een minderjarige leerling.
Schoolbesturen die vermoeden dat er sprake is van een geval van ontucht met een minderjarige leerling door een personeelslid, moeten contact opnemen met een vertrouwensinspecteur. Als uit overleg met de vertrouwensinspecteur blijkt dat het een redelijk vermoeden betreft moet het schoolbestuur aangifte doen bij Justitie. Voorafgaand aan de aangifte, moet de school aan de ouders van desbetreffende leerling en aan de (mogelijke) dader melden dat tot aangifte wordt overgegaan. Om de drempel om een vertrouwensinspecteur in te schakelen zo laag mogelijk te houden, heeft deze zelf geen aangifteplicht.) Het personeelslid dat weet heeft van een seksueel misdrijf heeft een meldingsplicht richting het schoolbestuur.

Om inzicht te krijgen over situaties met betrekking tot veiligheid, gedrag en agressie staan er een aantal toetsings- en registratiemiddelen tot onze beschikking, zoals vragenlijsten voor ouders, leerlingen en leerkrachten en overige vragenlijsten. Deze middelen zijn verderop in dit beleidsdocument opgenomen

Om te voorkomen dat er ongewenst gedrag kan optreden hebben wij als bestuur een aantal regels en codes opgesteld. Per school kunnen er nog aparte regels en afspraken bestaan.

Ondanks alle voorzorgsmaatregelen en voorschriften kan het bestuur niet garanderen dat er geen ongewenst gedrag op een van onze scholen voorkomt. Mochten zich ondanks alle inspanningen toch ongewenste situaties voordoen, dan zal het bestuur handelend optreden zoals in dit beleidsdocument is vastgelegd.

Centrale thema’s in dit beleidsdocument zijn dus: inzicht verkrijgen, voorkomen van ongewenst gedrag en optreden naar aanleiding van ongewenste situaties.

Steunpunt Agressie in het onderwijs.

Zijn er vragen over agressie en geweld? Vanaf 1 september 2006 kunt u daarvoor terecht bij het Steunpunt Agressie in het Onderwijs. Het is er voor alle vormen van onderwijs. Het steunpunt is bereikbaar per e-mail: onderwijs@ivp.nl en telefonisch op maandag- en woensdagmiddag tussen 14.00 en 16.30 uur op telefoonnummer: 06 20 59 98 97. Het steunpunt wordt in opdracht van het Vervangings- en Participatiefonds uitgevoerd door het Instituut voor Psychotrauma

Agressie en geweld

Onder agressie en geweld wordt in de Arbeidsomstandighedenwet verstaan: voorvallen waarbij een werknemer psychisch of fysiek wordt lastig gevallen, bedreigd of aangevallen onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met het verrichten van arbeid. (Arbeidsomstandighedenwet 1988, Artikel 1)

Deze wetsbepaling heeft niet alleen betrekking op werknemers, maar ook op andere personen zoals stagiaires, ouders, leerlingen, etc. (Arbeidsomstandighedenweg 1998, Artikel 10).

Deze wetsbepaling beperkt zich niet alleen tot het schoolgebouw zelf, maar ze betreft ook de onmiddellijke omgeving van de school zoals het schoolplein. (Arbeidsomstandighedenwet 1998, Artikel 10).

Agressie en geweld kan zich op veel verschillende wijzen manifesteren.  Er worden een achttal vormen benoemd (bron: Mandemakers et al, 1994):

  • Fysiek geweld, gericht op het lichaam van werknemers, onder andere schoppen, slaan, verwonden, vastgrijpen.
  • Psychisch geweld tegen werknemers, onder andere lastig vallen, bedreigingen met geweld, chantage, onder druk zetten, irriteren, achtervolgen.
  • Seksueel geweld tegen werknemers, onder andere seksistische opmerkingen, seksuele toespelingen, ongewenste intimiteiten.
  • Discriminatie van werknemers in woord of gedrag.
  • Verbaal geweld tegen werknemers (voor zover niet vermeld onder de voorgaande categorieën), onder andere schelden, beledigen.
  • Vernielingen van objecten in het bijzijn van de werknemer.
  • Vormen van geweld tegen school of vereniging waardoor medewerkers zich onveilig of bedreigd voelen.
  • Vormen van geweld in de omgeving van de school waardoor medewerkers zich bedreigd voelen

In het onderwijs vindt men al deze vormen van geweld in meer of mindere mate terug. Tevens kent men in het onderwijs nog een dimensie van geweld, namelijk het geweld van leerlingen onderling waardoor het personeel zich bedreigd kan voelen; ook al is het geweld niet direct tegen henzelf, de vereniging, de school of de omgeving van de school gericht.

Deze opsomming van voorbeelden geeft een beeld van de diverse problemen op het gebied van agressie en geweld die op scholen kunnen spelen.

Daarbij dient te worden aangemerkt dat deze opsomming nooit volledig kan zijn. Een belangrijke rol bij de toepassing van de definitie speelt namelijk de grens tussen wat dader en slachtoffer als normaal beschouwen. Terwijl de ene docent zich van een scheldende leerling niets aantrekt kan een collega daar behoorlijk van ontdaan zijn.

Daarom is het goed om bij de definitie uit te gaan van de subjectieve beleving van het slachtoffer. Want of een situatie als agressief of bedreigend wordt ervaren, bepaalt de persoon die het ondergaat.

Dit heeft tot gevolg dat ieder incident serieus wordt genomen en dat de bijbehorende opvang kan worden aangeboden. Daarnaast is het belangrijk dat er afspraken worden geformuleerd wat het team en het onderwijsondersteunend personeel verstaat onder acceptabel en onacceptabel gedrag. Deze afspraken worden vastgelegd in de schoolregels.

Het is aan te bevelen om de leerlingen te betrekken bij het vaststellen van (gedrags)regels. Wanneer de leerlingen betrokken zijn bij het voorbereidingsproces waarin de grenzen van acceptabel gedrag worden afgesproken, dan is de kans aanzienlijk groter dat zij zich aan de afspraken hierover houden.

 

Gevolgen van agressie

Agressie vormt een risico voor een gezonde en evenwichtige ontwikkeling van een mens. Ook is agressie een risico voor personeel en derden die zich binnen de schoolomgeving bevinden. Hieronder komen de voornaamste gevolgen van agressie en geweld kort aan de orde:

Voor de persoon

De gevolgen van agressie voor de getroffen persoon zijn heel divers. In grote lijnen is een onderscheid te maken uit de volgende gevolgen:

  • Fysieke gevolgen, bijvoorbeeld: blauw oog, kneuzingen, bloedneus, beten in lichaamsdelen. Gevolgen kunnen zijn: langdurig (ziekte)verzuim, studieresultaten, inkomensderving.
  • Beschadigde eigendommen, zoals kapotte kleding, tassen, boeken. De gevolgen zijn vooral van materiele en financiële aard.
  • Psychische gevolgen. De duur van de psychische gevolgen moet hierbij in ogenschouw genomen worden. Hoe langer de psychische gevolgen duren hoe groter de kans op het ontwikkelen van psychosomatische klachten of een post traumatisch stress syndroom wordt. Vaak is hierin een geleidelijke lijn waarneembaar die loopt van bijvoorbeeld angstgevoelens, gevoelens van hulpeloosheid en schuldgevoelens naar eetstoornissen, slaapstoornissen, hoofdpijnklachten, maag- darmklachten, rugpijn en burn-out. Bij een post traumatisch stress syndroom zijn de gevolgen voor de getroffen persoon zo zwaar en langdurig dat het gewone dagelijkse handelen niet meer kan plaatsvinden. We spreken dan van een verstoorde verwerking. De persoon is hierdoor fysiek en mentaal volledig uitgeput geraakt.
  • Sociale gevolgen. Met het verwerken van traumatische gebeurtenissen en geleden schade doet de getroffen persoon een verhoogd appèl op zijn privé-situatie. Niet zelden zien we dat de omgeving van slachtoffers deze opvang niet aankan en dat de verhoudingen op dit vlak versoord raken. Het kan hierbij gaan om collega’s waarmee betrokkenen ook vriendschappelijk omgaan, zoals gezinsleden, familie, vrienden of buren.

Voor de school

Een toenemend aantal van incidenten en slachtoffers van agressie en geweld kan negatieve gevolgen hebben voor de hele vereniging. In grote lijnen zijn de volgende gevolgen te onderscheiden:

Hoge kosten, zoals ziekteverzuimkosten en vervangingskosten, verhoogd aantal arbeidsongeschikten.

  • Materiële gevolgen, zoals vervanging van kleding, vervanging en reparatie van kapotte materialen in de school, claims, tijd en energie die wordt besteed dor medewerkers om incidenten op te lossen.
  • Werkklimaat in de school gaat achteruit. Een gevolg kan zijn dat medewerkers en leerlingen onverschillig of cynisch raken, afnemende collegialiteit, motivatie om kapotte materialen of onveilige situaties aan te pakken neemt af, onveiligheidsgevoelens en een sfeer van “ieder voor zich” neemt toe.
  • Prestaties van de schoolorganisatie gaan achteruit. De houding van leerkrachten naar leerlingen wordt steeds minder positief, kapotte schoolmaterialen belemmeren het optimaal lesgeven, de pedagogische basis raakt aangetast.
  • Slecht imago, waardoor problemen ontstaan met de werving van personeel, problemen met inschrijven van voldoende leerlingen, hoog leraar- en leerling-verloop, devaluatie van beroepwaardering in onderwijsfuncties.

Wat vraagt de Arbo-wet van scholen met betrekking tot agressie en geweld.

Bij het begrip “agressie” is te lezen wat er in de Arbo-wet onder agressie en geweld wordt verstaan.

In het kader van agressie en geweld is de werkgever (de vereniging, de school, het bestuur) volgens de Arbo-wet verplicht:

  • Beleid te voeren ter bescherming van werknemers tegen seksuele intimidatie en tegen agressie en geweld (artikel 4).
  • Het personeel doeltreffend in te lichten over het beleid met betrekking tot agressie en geweld (artikel 8)
  • Een risico-inventarisatie en evaluatie op schrift te stellen. Een exemplaar van deze inventarisatie en evaluatie, of een wijziging daarin, wordt door de werkgever toegezonden aan de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad (artikel 5).
  • Incidenten te registeren en bepaalde ongevallen te melden aan de daartoe aangewezen ambtenaar (artikel 9).
  • Afspraken en procedures voor opvang bekend te maken (artikel 8).
  • Beleid te voeren ter voorkoming van gevaar voor derden (stagiaires, oproepkrachten, leveranciers, leerlingen, ouders, enz. (artikel 10).

Niet naleven van de Arboverplichting is strafbaar en beboetbaar.

 

INSTRUMENTEN OM DE PROBLEMATIEK INZICHTELIJK TE MAKEN

Hoe veilig voelde ik me deze week binnen en buiten school?

 

Ik voelde me:

In de klas

veilig

niet zo veilig

onveilig

erg onveilig

In de school

veilig

niet zo veilig

onveilig

erg onveilig

Rond de school

veilig

niet zo veilig

onveilig

erg onveilig

Tussen huis en school

veilig

niet zo veilig

onveilig

erg onveilig

 

 

De afgelopen tijd (bijv. een maand)

 

ben ik geplaagd en/of gepest, geschopt of kinderen deden niet zo aardig

nooit

soms

vaak

altijd

ben ik uitgescholden (andere kinderen gebruiken lelijke woorden)

nooit

soms

vaak

altijd

is er iets van mij stuk gemaakt

 

nooit

soms

vaak

altijd

was ik bang voor sommige leerlingen

nooit

soms

vaak

altijd

had ik last van andere kinderen die me aanraken terwijl ik dat niet wil

nooit

soms

vaak

altijd

 

 

 

Ik heb erover gepraat met……………………………………………………………………………………

 

Dat heeft wel / niet geholpen, want ………………………………………………………………………...

 

………………………………………………………………………………………………………………………

 

Ik vind dat er wel / niet iets gedaan moet worden, want ………………………………………………

 

……………………………………………………………………………………………………………………….

 

 

 

1 = klopt helemaal niet

2 = klopt niet

3 = klopt soms wel / soms niet

4 = klopt

5 = klopt helemaal

 

  1. Mijn kind(eren) voelt / voelen zich veilig en geaccepteerd op school.

1  2  3  4  5

  1. Er is aandacht voor mijn kind(eren) als persoon.

1  2  3  4  5

  1. De school levert goede resultaten, zowel in cijfers als in algemene vorming.

1  2  3  4  5

  1. Het onderwijs komt tegemoet aan de manier van leren van mijn kind(eren).

1  2  3  4  5

  1. De school heeft voldoende aandacht voor problemen, bijvoorbeeld met leren en sociaal-emotionele problemen.

1  2  3  4  5

  1. Onderwijstijd wordt ook echt gebruikt voor leren en het geven van onderwijs.

1  2  3  4  5

  1. Leerlingen worden op school goed voorbereid op hun toekomst, zowel in de aansluiting op het vervolgonderwijs als in de samenleving.

1  2  3  4  5

 

  1. Ik kan merken dat de school christelijk is, bijvoorbeeld aan de inhoud van de lessen, de openingen en de vieringen.

1  2  3  4  5

 

  1. Ik ben tevreden over de meeste leerkrachten.

1  2  3  4  5

  1. Lesuitval is beperkt.

1  2  3  4  5

  1. Ik word tijdig geïnformeerd over dingen die ik als ouder moet weten (leervorderingen, lesuitval, aankondigingen, etc.).

1  2  3  4  5

  1. Ik word als ouder serieus genomen.

1  2  3  4  5

  1. De school organiseert voldoende buitenschoolse activiteiten.

1  2  3  4  5

14. Overige opmerkingen:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1. Werkgever (bevoegd gezag)

Naam:

Adres:

Postcode en plaats:

Registratienummer Kamer van Koophandel:

Aantal werkzame personen:……………………………………………………………………………………

Naam melder:…………………………………………………………………………………………… 

Telefoon:……………………………………………………………………………………………………

 

2. Getroffene(n)

Naam: ………………………………………………………………………………………………………..

Adres:…………………………………………………………………………………………………………

Postcode en woonplaats:…………………………………………………………………………………..

Geboortedatum en geslacht:………………………………………………………………………………

Nationaliteit:…………………………………………………………………………………………………

De getroffene is: werknemer/stagiair/uitzendkracht/leer­ling/student/overig  *  

Datum indiensttreding:……………………………………………………………………………………..

Soort letsel:………………………………………………………………………………………………….

Plaats van het letsel:……………………………………………………………………………………….

Noodzaak ziekenhuisopname: ja/nee*

Dodelijke afloop:            ja/nee*

Vermoedelijke verzuimduur:……………………………………………………………………………….

 

 

3. Omstandigheden van het ongeval

Plaats van het ongeval:…………………………………………………………………………………….

Naam school:………………………………………………………Brinnr.:…………………………….

Adres:………………………………………………………………………………………………………...

Postcode en plaats:…………………………………………………………………………………………

Datum en tijdstip ongeval:…………………………………………………………………………………

Direct voorafgaand aan het ongeval door getroffene verrichte werkzaamheden:…………………...

………………………………………………………………………………………………………………..

Aard van het ongeval:………………………………………………………………………………………

Eventueel betrokken arbeidsmiddelen of stoffen:……………………………………………………….

*  Doorhalen wat niet van toepassing is

 

 

 

Plaats:……………………………………                      Datum:…………………………………

 

Handtekening aanmelder:………………………….

 

Arbeidsinspectie

Centraal Kantoor, afdeling Handhaving

Postbus 90801

2509 LV Den Haag

 

 

 

 

 

Naam getroffene: ………………………………………………………………………………………….

Adres: ……………………………………………………………………………………………………….

Postcode en plaats: …………………………………………………………………………………………

Getroffene is: Werknemer / stagiair / leerling / anders namelijk * …………………………………….

Plaats van het incident: ………………………………………………………………………………….

Datum en tijdstip incident: ……………………………………………………………………………...

Vorm van agressie / geweld:

  1. fysiek     nl: …………………………………………………………………………………
  2. verbaal   nl: …………………………………………………………………………………
  3. dreigen  nl: …………………………………………………………………………………
  4. vernielzucht nl: …………………………………………………………………………………
  5. diefstal   nl:  …………………………………………………………………………………
  6. anders     nl:  …………………………………………………………………………………

Behandeling:

  1. géén
  2. behandeling in ziekenhuis / EHBO*
  3. opname in ziekenhuis
  4. ziekteverzuim / leerverzuim
  5. anders ………………………………………………………………………………………….

Schade:                                                                                                                                                                                       Kosten:

  1. materieel                  nl: …………………………………………………      €…………………………..
  2. fysiek letsel     nl: …………………………………………………      €…………………………..
  3. psych. letsel     nl: …………………………………………………      €…………………………..
  4. anders             nl: ………………………………………………        €…………………………..

 

Afhandeling:

  1. politie ingeschakeld                      aangifte gedaan:          ja / nee*
  2. melding arbeidsinspectie              ernstig ongeval:             ja / nee*      (indien ja, invullen en opsturen ongevallen meldingsformulier Arbeidsinspectie, verplicht!)
  3. psychische opvang                       nazorg:                          ja / nee*

 

* Doorhalen wat niet van toepassing is.

 

Korte beschrijving van het incident:

 

 

 

 

Suggesties voor verdere afhandeling:

 

 

 

 

Suggesties voor preventie in de toekomst:

 

 

 

 

 

 

 

Plaats          Datum

 

 

Handtekening getroffene ………………………………………………

 

 

 

 

 

 

VERZAMELSTAAT INCIDENTEN                                                                                                                                                                       

Datum

Functie

Getroffene

School

Toedracht

Letsel

Schade

Verzuim

Nr.

rapport

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Procedure:

  • Alle incidenten met betrekking tot agressie en geweld worden geregistreerd (dus ook de minder ernstige).
  • Ernstige incidenten onmiddellijk melden aan directie en/of bestuur.
  • Directie/bestuur draagt zorg voor eventueel verplichte melding aan Arbeidsinspectie door middel van betreffende ongevallenmeldingsformulier.

 

 

 

 

 

 

 

 

In orde

Ja/Nee

Actie

Wie is verantwoordelijk?

 WILLEN            

  • Ons beleid met betrekking tot agressie en geweld is voor iedereen helder en concreet.

 

 

 

  • We hebben de taken en verantwoordelijkheden vastgesteld en ze zijn voor iedereen duidelijk.

 

 

 

  • Ons overleg over beleid agressie en geweld is efficiënt en effectief.

 

 

 

 WETEN

  • We weten wat de belangrijkste risico’s in onze school zijn op het terrein van agressie en geweld

 

 

 

  • Als zich een incident van agressie en geweld voordoet in de school, dan weten we hoe we daarop moeten reageren

 

 

 

  • We hebben beargumenteerd gekozen welke risico’s met betrekking tot agressie en geweld we het eerst gaan aanpakken

 

 

 

  • Ons Plan van aanpak is gebaseerd op onze beleidsdoelstellingen met betrekking tot agressie en geweld

 

 

 

  • Ons Plan van aanpak is concreet en duidelijk geformuleerd.

 

 

 

  • Het lukt ons om de maatregelen in het Plan van aanpak uit te voeren.

 

 

 

  • Als de uitvoering van het Plan van aanpak stokt, sturen we tijdig bij.

 

 

 

  • We hebben inzicht in het succes van de uitgevoerde maatregelen

 

 

 

  • We houden onze goede ervaringen vast en we leren van onze fouten

 

 

 

  • De doelstellingen in ons Plan van aanpak worden elk jaar iets ambitieuzer.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VOORKOMEN EN OPTREDEN

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Omgang met collega’s

  • Houd zaken die in vertrouwen tegen je gezegd zijn, geheim.
  • Heb vertrouwen in elkaar, in jezelf en in de vertegenwoordigers van de andere geledingen.
  • Accepteer de ander zoals hij of zij is. De ander is anders dan jij en jij bent anders dan de ander.
  • Je non-verbale gedrag (mimiek, intonatie) is heel belangrijk.
  • Vraag om duidelijkheid, als je iets dwarszit.
  • Spreek uit wat je dwarszit, maar kijk eerst eens in hoeverre de irritatie aan jezelf zou kunnen liggen.
  • Ga niet fantaseren over iemands mogelijke bedoelingen met een uitspraak of een handeling. Vraag om duidelijkheid als je iets onduidelijk is.
  • Wees eerlijk, doe je niet groter voor dan je bent.
  • Breng kritiek op een collega nooit op tafel in aanwezigheid van meerdere collega’s; probeer eerst onder vier ogen tot een oplossing te komen. Brengt dat geen oplossing, breng het dan ter bespreking bij de directeur, of met beider goedvinden, in de personeelsvergadering, maar blijf niet met je irritatie rondlopen. Wacht niet met het onder woorden brengen van je bezwaren. Doe dat zo snel mogelijk, zodat je nog vriendelijk kunt spreken.
  • Roddel nooit over een collega of over anderen en geef anderen daar ook geen kans toe.
  • Spreek kritiek uit op de plaats waar die hoort te zijn. Weiger om kritiek over anderen aan te horen en wijs erop dat die kritiek elders hoort te worden uitgesproken.
  • Wees hartelijk en meelevend.
  • Kom je afspraken na en wees inschikkelijk. Maar je mag “nee” zeggen!
  • Discrimineer niet.

 

 

 

Omgang met leerlingen

  • Probeer leerlingen in hun daden te begrijpen. Spreek nooit negatief over hen als kind. Probeer hen bij eventueel wangedrag ook positief te benaderen.
  • Wees rechtvaardig. Probeer bij straf geven de juiste maat te vinden (desnoods in overleg met je collega’s).
  • Positieve waardering werkt vaak beter dan kritiek geven.

 

Omgang met de ouders (ook bij “huisbezoek”).

  • Behandel ouders vriendelijk en correct, ook na een minder plezierige ervaring.
  • Luister naar wat ze zeggen en probeer hen te begrijpen.
  • Toon belangstelling voor hen en hun gezin zonder nieuwsgierig te zijn.
  • Praat niet negatief over andere ouders en geef daar ook geen kans toe.
  • Praat niet over andere kinderen uit de klas of andere klassen en geef daar ook geen kans toe.
  • Praat niet negatief over collega’s en geef daar ook geen kans toe.
  • Praat niet negatief over andere scholen.
  • Verwijs voor klachten over anderen naar die ander en ga daar verder niet op in.
  • Maak indien nodig een vervolgafspraak met ouders (op korte termijn) wanneer een bepaald probleem niet kon worden uitgepraat.
  • Moedig ouders aan, wanneer ze ergens mee zitten, contact op te nemen met de school.

 

 

 

Op de eerste dag na een melding van een (anonieme) bedreiging:

  • Een eerste gesprek tussen de (anoniem) bedreigde leerkracht en de directeur van de school met daarin als belangrijkste vragen:
    • Wat is de aard van de bedreiging?
    • Is het duidelijk door wie deze bedreiging wordt gedaan?
    • Hoe lang lopen deze bedreigingen?
    • Wat merkt het thuisfront van de leerkracht van deze bedreigingen?
    • Wat is de psychische draagkracht bij deze leerkracht?
  • Bepalen van de strategie bij deze (anonieme) bedreiging binnen de schoolleiding (directeur en algemeen directeur) en het benoemen van een contactpersoon.
  • Afvragen of de schoolleiding een externe deskundige moet consulteren. Dit met name als het vermoeden bestaat als er een dubbele loyaliteit zou zijn (leerkracht/leerling)
  • Briefing aan alle medewerkers over de aard van de bedreiging en de tot volgen strategie.

In de vervolgdagen:

  • Inzetten van een externe deskundige om, indien gewenst door de betrokkene, de (anoniem) bedreigende leraar te begeleiden.
  • Expliciete aandacht besteden aan de woede en angst die dit incident ook bij het team teweeg brengt. Dit geldt met name voor leerkrachten die eerder zelf slachtoffer zijn geweest van dergelijke bedreigingen.
  • Tracht de dader(s) van de (anonieme) bedreiging op te sporen. Handschrift, plaats van verzending, telefonische nummerweergave, bandopnames van telefonische bedreigingen, brononderzoek via internet, gesprekken met leerlingen etc.
  • Laat de (anoniem) bedreigde leraar alle schriftelijk bedreigingen (voor zovel mogelijk zonder te openen) doorgeven aan de contactpersoon binnen de schoolleiding.

Als de dader bekend is:

  • Niet het slachtoffer noch het team bepaalt de “straf” voor de dader(s), dat doet de schoolleiding.
  • Geef, naast de straf, aan de mentor/vertrouwenspersoon/leerlingenbegeleider een taak in de begeleiding van de dader(s). dit onder het motto: “leerlingen die pesten zitten zelf in de nesten”.
  • De ouder(s)/verzorger(s) van de dader(s) moeten onmiddellijk op de hoogte worden gebracht, zowel telefonisch als schriftelijk, ook moeten de ouders nog dezelfde dag op de school worden uitgenodigd voor een gesprek. Alle afspraken moeten worden genoteerd en in het dossier van de dader(s) bewaard worden, mocht er tot verwijdering van de dader(s) van de school moeten worden overgegaan, moeten deze verslagen worden overlegd.
  • Informeer alle ouders middels een korte notitie en informeer alle leerlingen door als directeur de klassen zelf te bezoeken. Dan moet wel alles al duidelijk zijn, dus ook de te hanteren strafmaat.
  • Organiseer een bijeenkomst met alle medewerkers, waarbij leraren zich kunnen uiten en besproken kan worden hoe dergelijke incidenten in de toekomst zoveel mogelijk kan worden voorkomen.

Als er een (anonieme) bedreiging aan een leerling, stagiaire of onderwijsondersteuner voorkomt treedt het bovenstaande protocol ook in werking.

In overleg met het slachtoffer moet er altijd gekeken worden of er aangifte bij de politie gedaan moet worden. In dat geval moet de bewijsvoering ook aan de politie worden overlegd.

 

 

 

 

FYSIEK GEWELD

 

PSYCHISCH GEWELD

 

(HOMO) SEKSUELE INTIMIDATIE

 

SEKSUEEL MISBRUIK BINNEN/IN SAMENHANG MET DE SCHOOLSITUATIE

 

Geen meldplicht;

wel melden i.v.m. incidentenregistratie bij

vertrouwens(contact)

persoon/veiligheidscoör-dinator/schoolleiding

 

Geen meldplicht;

wel melden i.v.m. incidentenregistratie bij

vertrouwens(contact)

persoon/veiligheidscoör-dinator/schoolleiding

 

Geen meldplicht;

wel melden i.v.m. incidentenregistratie bij

vertrouwens(contact)

persoon/veiligheidscoör-dinator/schoolleiding

 

Meld- en aangifteverplichting conform de Onderwijswet

 

Personeel/

leerlingen

Melden i.v.m. opvang

/incidentenregistratie/

aanpak bij vertrouwens (contact)persoon/ veiligheidscoördinator/

schoolleiding

 

Personeel/

leerlingen

Melden i.v.m. opvang

/incidentenregistratie/

aanpak bij vertrouwens (contact)persoon/ veiligheidscoördinator/

schoolleiding

 

Personeel/

leerlingen

Melden i.v.m. opvang

/incidentenregistratie/

aanpak bij vertrouwens (contact)persoon/ veiligheidscoördinator/

schoolleiding

 

Personeel/

leerlingen

Melden bij bevoegd gezag/bestuur

 

Contact/

Vertrouwens-persoon

Opvang klager/slachtoffer

 

Contact/

Vertrouwens-persoon

Opvang klager/slachtoffer

 

Contact/

Vertrouwens-persoon

Opvang klager/slachtoffer

 

Contact/

Vertrouwens-persoon

Opvang klager/slachtoffer

meldplicht voor de interne vertrouwens-persoon bij bestuur (niet voor externe vp!)

 

 

Directie

Sancties tegen aange-klaagde(n)/dader(s)

 

 

Directie

Sancties tegen aange-klaagde(n)/dader(s)

 

Directie

Sancties tegen aange-klaagde(n)/dader(s)

 

Directie

Melden door

directie bij bestuur

 

Bestuur

Beleidsvorming en maatregelen gericht op het vergroten van de schoolveiligheid

 

Bestuur

Beleidsvorming en maatregelen gericht op het vergroten van de schoolveiligheid

 

Bestuur

Beleidsvorming en maatregelen gericht op het vergroten van de schoolveiligheid

 

Bestuur Bestuur besluit na overleg met de vertrouwensinspecteur tot het al dan niet aangifte doen bij officier van justitie

 

 

Vertrouwens-inspectie

Inschakelen voor advies adequate aanpak

 

Vertrouwens-inspectie

Inschakelen voor advies adequate aanpak

 

Vertrouwens-inspectie

Inschakelen voor advies adequate aanpak

 

Vertrouwens-inspectie

Verplicht overleg met bestuur inzake aangifte ja/nee

 

Politie/officier van justitie

Bij Strafbare feiten:

Aangifte door slachtoffer

Melding maken vanuit de school bij politie/officier van justitie

 

Politie/officier van justitie

Bij Strafbare feiten:

Aangifte door slachtoffer

Melding maken vanuit de school bij politie/officier van justitie

 

Politie/officier van justitie

Bij Strafbare feiten:

Aangifte door slachtoffer

Melding maken vanuit de school bij politie/officier van justitie

 

Politie/officier van justitie

Bij strafbare feiten:

Aangifte door slachtoffer

Verplichte aangifte door bestuur bij politie/officier van justitie

 

 

 

 

 

 

Beschrijving: https://encrypted-tbn3.gstatic.com/images?q=tbn:ANd9GcTVDvOsZWv2ysAwXj0dYBuTJf8RBejuKXnewvLsJ00O9Jj-V1m2Pg

 

 

 

Pestprotcol obs Het Veenpluis

 

 

Obs Het Veenpluis

Grote Veenbrandstraat 17

9354XH Zevenhuizen

0594-631755

 

Inleiding : waarom een pestprotocol?

 

Pesten komt helaas op iedere school voor, ook bij ons. Het is een probleem dat wij onder ogen zien en op onze school serieus willen aanpakken. Voorwaarde is dan wel dat pesten als probleem gezien wordt door alle direct betrokken partijen:Leerlingen

( gepeste kind, pester en de zwijgende groep), leerkrachten en de ouder(s), verzorger(s) van zowel de pester als de gepeste leerling.

Als school moeten wij proberen preventief te werk te gaan dat wil zeggen dat er wekelijks gewerkt wordt met de methode Goed gedaan! Bovendien wordt het onderwerp pesten bespreekbaar gemaakt als er sprake is van een concreet geval van pesten.

Helaas is het niet altijd makkelijk om te signaleren of een kind gepest wordt of niet. Hierbij hebben de leerkrachten de steun nodig van de medeleerlingen en van de ouders van het gepeste kind.

We hopen met dit pestprotocol een middel te hebben waarmee we een veilige leer – en leefomgeving creëren voor elk kind binnen onze school.

 

 

 

 

 

Begripsomschrijving : plagen en pesten en het verschil ertussen.

 

We spreken over plagen wanneer kinderen min of meer aan elkaar gewaagd zijn en het vertoonde gedrag een uitnodigend karakter heeft om iets terug te geven vanuit een onschuldige sfeer. Het gaat om een prikkelend spelletje dat door geen van de betrokkenen als bedreigend of echt vervelend wordt ervaren. Er is sprake van een pedagogische waarde: door elkaar eens uit te dagen leren kinderen heel goed met allerlei conflicten om te gaan. Dat is een vaardigheid die later in hun leven van pas komt.

Het specifieke van pesten is het bedreigende en vooral systematische karakter. We spreken van pestgedrag als het daarnaast ook nog regelmatig gebeurt waardoor de veiligheid van de omgeving van het kind wordt aangetast. De inzet van het pestgedrag is altijd de macht door intimidatie. Bij dit echte pestgedrag is er sprake van een vaste rolverdeling bij de betrokkenen.

Voorbeelden van specifiek pestgedrag:

  • Nooit iemand bij de eigen naam noemen maar altijd bij de bijnaam
  • Zogenaamde leuke opmerkingen maken over een klasgenoot
  • Een klasgenoot voortdurend ergens de schuld van geven
  • Briefjes doorgeven
  • Opmerkingen maken over kleding, schoeisel, haardracht enz.
  • Isoleren
  • Buiten school opwachten, slaan of schoppen
  • Bezittingen afpakken
  • Schelden of schreeuwen tegen het slachtoffer

 

 

 

 

Hoe willen we daarmee omgaan?

 

Preventief door:

  • Aan het begin van het schooljaar de vertrouwenspersoon ( de Ib-er) bij de kinderen te introduceren. De kinderen kunnen altijd hulp inroepen bij pestgedrag
  • Bespreken van de 10 gouden regels in de groepen 3 y/m 8
  • Wekelijks lessen te volgen uit de SOVA methode “Goed gedaan”.

 

Wanneer pesten ondanks alle inspanningen toch de kop opsteekt beschikt de school over een directe aanpak:

Stap 1

Er eerst zelf uit komen, eventueel met behulp van de grote groep. Weet de vertrouwenspersoon ervan?

Stap 2

Op het moment dat een van de kinderen de verliezer of zondebok wordt, wordt de leerkracht erbij geroepen. Het probleem wordt aan hem / haar voorgelegd

Stap 3

De partijen worden bij elkaar gebracht voor een verhelderinggesprek. Het probleem is nu duidelijk omschreven en er worden schriftelijk afspraken gemaakt. Ook wordt een datum genoemd voor een vervolggesprek

Stap 4

Bij herhaling van het pestgedrag komt er een gesprek met de ouders van de pester en de directie. Dit gesprek wordt vastgelegd en komt in het leerling-dossier. Aan de pester worden sancties opgelegd variërend van in de pauze binnen blijven tot het maken van een stelopdracht over zijn/ haar rol in de pesterijen.

Stap 5

Als er nog geen verbetering is opgetreden wordt aan de ouders voorgesteld professionele hulp in te schakelen

Stap 6

Mochten de ouders stap 5 weigeren en het pestgedrag gaat gewoon door, dan treedt het protocol “ Schorsen en verwijderen” in werking.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Begeleiding van de gepeste leerling

 

  • Altijd serieus ingaan op de hulpvraag; medeleven tonen en nagaan door wie er wordt gepest
  • Nagaan hoe de leerling zelf reageert, wat doet hij/zij voor, tijdens en na het pesten
  • Actie is reactie: zoeken en oefenen van een andere reactie, bijvoorbeeld je niet afzonderen of weglopen
  • Nagaan welke oplossing het kind zelf wil
  • Schriftelijke verwerking d.m.v. verwerkingsschriftje. Het gaat hier om een vertrouwelijk document tussen leerling en leerkracht om traumatische ervaringen op te schrijven of te tekenen.
  • Praten met de ouders van de gepeste leerling
  • Wellicht professionele hulp inroepen om kind weerbaar te maken

 

 

 

Begeleiding van de pester

 

  • Zoeken naar de reden van het pesten ( baas willen zijn, jaloezie, verveling enz.)
  • Laten inzien wat het effect van het pesten is op het slachtoffer
  • Excuses laten aanbieden
  • In laten zien welke leuke kanten de gepeste leerling heeft
  • Straffen als pesten doorgaat, belonen als het kind zich aan de afspraken houdt
  • Contact leggen tussen ouders en school, inleven in het kind; wat kan de oorzaak zijn van het pestgedrag?
  • Inschakelen van professionele hulp

 

 

 

Adviezen aan de ouders van onze school

 

Aan de ouders van het gepeste kind willen we de volgende adviezen geven:

  • Blijf in gesprek met uw kind, neem uw kind serieus
  • Als pesten niet op school gebeurt, probeer dan contact op te nemen met de ouders van de pester om het probleem bespreekbaar te maken
  • Pesten op school kunt u het beste direct met de leerkracht bespreken
  • Door positieve stimulering kan het zelfrespect vergroot worden of weer terug komen
  • Steun uw kind in het idee dat er een einde aan het pesten komt

 

Aan de ouders van de pester willen we de volgende adviezen geven:

  • Elk kind loopt kans een pester te worden
  • Probeer achter de mogelijke oorzaak te komen
  • Maak uw kind gevoelig voor wat het anderen aandoet
  • Besteed extra aandacht aan uw kind
  • Corrigeer ongewenst gedrag en benoem het goede gedrag
  • Maak uw kind duidelijk dat u achter de aanpak van de school staat

 

Aan alle andere ouders willen we vragen om:

  • Uw kind te stimuleren om op een goede manier met andere kinderen om te gaan
  • Uw kind te wijzen op het feit dat het geen klikken is om te vertellen dat er gepest wordt
  • Uw kind te leren om voor anderen op te komen
  • Uw kind te leren voor zichzelf op te komen

 

 

 

 

 

 

De 10 gouden regels

 

De belangrijkste regel van het pesten luidt:

 

Word je gepest, praat er thuis en op school over. Je mag het niet geheim houden!

 

Het pestprotocol wordt in 10 gouden regels samengevat. Aan het begin van elk schooljaar wordt hier wekelijks aandacht aan besteed. Deze regels hangen in ieder klaslokaal.

 

 

1

Wees vriendelijk tegen elkaar; we noemen elkaar bij de voornaam.

2

Laat anderen meespelen, zodat niemand zich

buitengesloten hoeft te

voelen. Als dit niet kan, leg dan uit waarom en wanneer meespelen wel kan.

3

We roddelen niet. Heb je iets gehoord over iemand, praat erover en laat hij/zij het eigen verhaal vertellen.

4

Anders zijn is leuk!

5

We maken allemaal wel eens fouten.

6

We respecteren andermans

eigendommen.

7

Bij een ruzie probeer je er eerst zelf uit te komen, als dat niet lukt vraag je hulp bij de leerkracht.

8

Alle stemmen tellen, iedereen is belangrijk.

9

Iedereen moet zich veilig voelen.

10

Altijd vertellen wanneer je zelf of iemand anders gepest wordt.

 

 

 

 

 

Gemeenschappelijke afspraken.

 

Regel 1:

Een belangrijke stelregel is dat het inschakelen van de leerkracht niet wordt opgevat als klikken.

Vanaf de kleutergroep brengen we kinderen dit al bij:

  • je mag niet klikken, maar……
  • als je wordt gepest of als je ruzie met een ander hebt en je komt je er zelf niet uit dan mag je hulp aan de leerkracht vragen. Dit wordt niet gezien als klikken.

 

Regel 2:

Een tweede stelregel is dat een medeleerling ook de verantwoordelijkheid heeft om het pestprobleem bij de leerkracht aan te kaarten. Alle leerlingen zijn immers verantwoordelijk voor een goede sfeer en veiligheid in de groep.

 

Regel 3:

Samenwerken zonder bemoeienissen:

School en gezin halen voordeel uit een goede samenwerking en communicatie. Dit neemt niet weg dat iedere partij moet waken over haar eigen grenzen. Het is bijvoorbeeld niet de bedoeling dat ouders naar school komen om eigenhandig een probleem voor hun kind op te komen lossen. Bij problemen van pesten zullen de directie en de leerkrachten hun verantwoordelijkheid (moeten) nemen en indien nodig overleg voeren met de ouders. De inbreng van de ouders blijft bij voorkeur beperkt tot het aanreiken van informatie, tot het geven van suggesties en tot het ondersteunen van de aanpak van de school.

 

 

 

 

 

 

 

 

 Pedagogisch klimaat.

 

Algemeen :

 

Op onze school wordt veel belang gehecht aan het pedagogisch klimaat als voorwaarde om leerlingen hun mogelijkheden te laten ontwikkelen. De wijze waarop regels worden vastgesteld en gehanteerd levert een belangrijke bijdrage aan dit pedagogisch klimaat. Leerlingen worden betrokken bij het maken van de regels waardoor zij zich mede verantwoordelijk voelen voor de sfeer in de groep. Schoolregels worden grotendeels door het team bepaald; groepsregels worden in samenspraak met de leerlingen vastgesteld. Bij het naleven van de regels wordt de nadruk gelegd op bevestiging van positief gedrag. Bevestiging van positief gedrag en correctie van negatief gedrag vindt zoveel mogelijk plaats door de leerlingen duidelijk te maken wat het gedrag, het effect en het gevolg is.

 Leerlingen worden bij vertoon van positief of negatief gedrag, waar mogelijk, geconfronteerd met de gevolgen van dit gedrag. Wanneer dit geen direct effect heeft en de voortgang van het onderwijs ernstig belemmerd wordt door storend gedrag van de leerling, kan voor beperkte tijd een “time-out” worden toegepast. Voor leerlingen die regelmatig storend gedrag vertonen kan planmatige gedragsbeïnvloeding worden toegepast. Allereerst wordt er een gesprek gevoerd met de leerling om de oorzaken van het gedrag helder te krijgen. Vervolgens wordt de leerling gestimuleerd zelf zoveel mogelijk oplossingen voor dit probleem aan te dragen. De voor- en nadelen van de mogelijke oplossingen worden besproken en er wordt overeenstemming gezocht tussen leerkracht en leerling omtrent de gekozen oplossing. Ook wordt er een gesprek met de ouders gevoerd om meer duidelijkheid te verkrijgen over de oorzaken van het gedrag en de aanpak op school en thuis op elkaar af te stemmen. Na enige tijd wordt de afspraak met alle betrokkenen nabesproken.

Op onze school wordt in sterke mate geappelleerd aan de eigen verantwoordelijkheid  van het kind. Dit komt onder andere tot uiting in de vrije inloop aan het begin van de dag. Vanaf 8.30 uur is de school open. Kinderen kunnen vrijelijk binnenkomen en hun klas opzoeken. In de groep is er toezicht door de groepsleerkracht. Ze kunnen tot 8.45 uur, als de lessen beginnen, zelf bepalen wat ze doen. Natuurlijk zijn er afspraken gemaakt, waaraan een ieder zich moet houden. Ouders brengen hun kinderen vanaf groep 3 niet in de klas maar nemen afscheid in het halletje. Een uitzondering hierop zijn de kleuters. Deze ouders brengen hun kinderen tot in het lokaal.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemene afspraken (plein, school).

 

Plein:

 

  1. Rekening houden met elkaar: iedereen heeft z’n eigen ruimte
  2. We lopen met de fiets aan de hand op het schoolplein
  3. We blijven op het plein.
  4. Niet spelen in de fietsenstallingen om schade te voorkomen
  5. We respecteren de natuur
  6. We weten welke uitgang we moeten gebruiken om met de fiets van het schoolplein te gaan.
  7. Skelters, skateboards en skeelers zijn niet toegestaan op het plein vanwege de veiligheid.
  8. “ Oorlogje spelen” kan na schooltijd gespeeld worden
  9. Alle kinderen gaan in de pauze een frisse neus halen. Er wordt niet in en uit gelopen. De kinderen kunnen met hun vragen terecht bij de pleinwacht. De pauze begint als de bel klinkt.
  10. Bij slecht weer blijven de kinderen in de pauze binnen.
  11. Pleinwacht overlegt met groepsleerkracht over eventuele probleempjes op het plein.
  12. Het gebruik van grove taal en schuttingwoorden wordt op school niet getolereerd.

 

School:

 

  1. In de school wordt er rustig gelopen en zachtjes gepraat
  2. Vanaf 8.30 uur mogen de kinderen naar binnen.
  3. Jassen horen aan de kapstok.
  4. Tassen:         groep 1 en 2 in de manden

groep 3 en 4 op de plank en in de kratten

groep 5, 6, 7 en 8 aan de kapstok en in de kratten

  1. In de klas ga je op je stoel zitten. Lezen of tekenen is toegestaan.
  2. Toiletten houden we netjes, geen rommel naast de afvalbakken.
  3. Eten en drinken, 5 minuten voor de pauze.
  4. Afval wordt in de daarvoor bestemde bakken gedaan.
  5. Geen kinderen zonder toezicht in de leermiddelenberging, personeelskamer e.d.
  6. Kleding en tassen ook in de gymzaal aan de haken

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afspraken in de groepen.

  • Jaarlijks bespreken van de 10 gouden regels
  • Vak opruimen (1 x per week).
  • Stoelen dagelijks op tafel zetten.
  • Geen hoofddeksels of petten  in de lokalen.
  • Kleding: in principe normaal gekleed in de klas (ter beoordeling van de leerkracht).
  •  Geen snoep en kauwgom in de klas.
  • Lokaal netjes houden, aan het eind van de dag grove stukken papier opruimen
  • Afval gescheiden inzamelen. (papier/gewoon/fruit)
  • Jas aan de kapstok / tas in de mand.
  • Mobieltjes worden niet meegenomen in de lokalen.

 

Afspraken in de groep (visualiseren)

 

  1. De 10 gouden regels naleven
  2. Op teken van de juf/meester stil zijn en luisteren.
  3. Om de beurt praten; naar elkaar luisteren en elkaar uit laten spreken.
  4. Vinger opsteken als je wat wilt vragen of zeggen.
  5. Eén tegelijk naar de w.c.

Niet naar de w.c. als er iets uitgelegd wordt.

Niet het eerste half uur ’s morgens en ’s middags.

  1. Als meester of juf even de klas uit moet of als er iemand onverwachts binnen

komt: -rustig doorgaan met je werk.

                  -even iets voor jezelf doen in stilte.

  1. Als je samenwerkt dan zachtjes praten.
  2. Niet zomaar van je plaats lopen.
  3. Binnenkomen:op tijd in de klas zijn, op je plaats gaan zitten en een leesboek pakken.

 

Afspraken buiten de groep (lespleinen)

  1. Samenwerken mag, maar wel binnen de regels die daarvoor gelden.
  2. Je bent alleen maar bezig met de opdracht die je van de juf/meester hebt gekregen.
  3. Iedere groep weet waar die mag zitten en waar niet
  4. Als je storend aanwezig bent, hinder je de ander, en dus moet je in het lokaal verder werken.
  5. In de stilteruimte werk je alleen, zonder met iemand anders te overleggen.
  6. Dat geldt ook voor het gebruik van de twee computers.

 

 

 

 

 

 

Taken klassendienst

 

  1. Schriften e.d. uitdelen en ophalen (dagelijks).
  2. Klas netjes houden. Papiertjes in de prullenbak (eind van de dag).
  3. Fruitafval naar de groene container brengen (dagelijks).
  4. Diverse boodschapjes doen.
  5. Eventueel planten water geven (woensdag en vrijdag).
  6. Bord schoonmaken en eventueel de computers uitzetten

 

 

Regels / afspraken leerkrachten

 

Bij de dagelijkse gang van zaken in de school en in de groep is de leerkracht een cruciale factor. Zijn of haar betrokkenheid, houding, stemming, maar ook de voorbereiding bepalen voor een groot deel de gang van zaken in de school. De leerkracht is voor de kinderen het grote voorbeeld. Kinderen zien en horen heel vlug hoe de vlag er bij hangt. Dus is het zinvol om naast regels en afspraken ook afspraken te maken over dit soort aspecten. In het algemeen kunnen we zeggen dat klassenmanagement grote invloed heeft op het pedagogisch klimaat.

 

 

Belangrijke punten daarbij zijn:

 

  • Houding van de leerkracht.

Ontvang de kinderen ’s ochtends. Een opgewekte leerkracht die iedereen begroet, zet de toon voor de dag. Bied gelegenheid belevenissen te vertellen.

  • Ondersteuning praktische zaken.

Duidelijke afspraken over de plaats en het gebruik van materialen voorkomen lastige situaties. Denk aan lijmpotjes, prikpennen, inleveren van schriften en werkboeken, nieuwe schriften, etenswaren, enzovoort.

  • Sfeerverhogende aspecten van de inrichting.

Een kaal, onpersoonlijk klaslokaal zal niet bijdragen tot een goed pedagogisch klimaat. Maar een overdaad aan tekeningen op de muur of een rommelig lokaal leveren problemen op bij het discrimineren van prikkels en beïnvloeden het klimaat ongunstig.

  • Overzicht van de dag.

Iedereen wil graag weten waar hij of zij aan toe is. Ook de kinderen in de klas willen graag weten wat er in de loop van de dag gaat gebeuren. Aan het begin van de dag een overzicht geven van het verloop van de dag geeft kinderen rust.

  • Afwisseling in activiteiten.

Als je bij de voorbereiding rekening houdt met een plezierige afwisseling in het dagritme, dan beïnvloed je het pedagogische klimaat gunstig. Zorg voor afwisseling in individueel werk en groepswerk, mondelinge en schriftelijke activiteiten, rust en beweging.

  • Duidelijke opdrachten.

Geef opdrachten altijd zo:

  • dat alle kinderen kunnen volgen wat de bedoeling is;
  • dat duidelijk is hoe de opdracht moet worden uitgevoerd;
  • dat duidelijk is welk resultaat verwacht wordt en of/hoe dit beoordeeld wordt.
  • Praktische ondersteuning.

Voorzie welke problemen zich kunnen voordoen bij het uitvoeren van een opdracht. Bedenk vooraf of je aanwijzingen moet geven en welke het meest adequaat zijn.

  • Betrokkenheid.

Maak het leren voor kinderen zo aantrekkelijk mogelijk, zodat er een vanzelfsprekende aandacht ontstaat. Probeer ook de saaiste oefening aantrekkelijk te maken.

  • Onafhankelijkheid.

Ondanks het feit dat je zelf het belangrijkste medium in de klas bent, moet je proberen kinderen niet afhankelijk van je te maken. Probeer hulp en aandacht zo te geven dat kinderen het gevoel krijgen dat ze zelf iets kunnen en zelf iemand zijn.

 

 

 

 

Werkafspraken voor groepsleerkrachten

  • Aanwezig zijn om 8.10 uur
  • Zo mogelijk ’s morgens even samen koffiedrinken.
  • Materialen terugzetten op de plaats.
  • Kopiëren wordt in het uiterste geval tijdens de lessen gedaan.
  • Het nakijken van schriftelijk werk gebeurt nadat de kinderen zijn vertrokken
  • Pleindienst: iedereen is op tijd aanwezig op het plein.
  • Teamvergaderingen: aanvang 15.45 uur, eindtijd 17.15 uur. Er wordt volgens rooster vergaderd.
  • Iedere groepsleerkracht wordt geacht de notulen van de vorige vergadering te hebben gelezen.
  • Het bijwonen van de didactische vergaderingen is verplicht.
  • Op tijd beginnen en eindigen van de lessen. Er is toezicht door de groepsleerkracht vanaf 8.30 uur.
  • Regels zelfstandig werken toepassen:
    • Kubussen/ blokjes
    • uitgestelde aandacht;
    • elkaar helpen;
    • probleem eerst overslaan enz.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wanneer leerlingen ruzie met elkaar hebben en/of elkaar pesten proberen zij en wij:

STAP 1:

 Er eerst zelf (en samen) uit te komen.

 STAP 2:

 Op het moment dat een van de leerlingen er niet uitkomt (in feite het onderspit delft en verliezer of zondebok wordt) heeft deze het recht en de plicht het probleem aan de meester of juf voor te leggen.

STAP 3:

 De leerkracht brengt de partijen bij elkaar voor een verhelderingsgesprek en probeert samen met hen de ruzie of pesterijen op te lossen en (nieuwe) afspraken te maken. Bij herhaling van pesterijen/ruzies tussen dezelfde leerlingen volgen sancties. (zie consequenties).

 STAP 4:

 Bij herhaaldelijke ruzie/pestgedrag neemt de leerkracht duidelijk stelling en houdt een bestraffend gesprek met de leerling die pest/ruzie maakt. De fases van bestraffen treden in werking (zie consequenties).

Ook wordt de naam van de ruziemaker/pester genoteerd in de klassenmap. Bij iedere melding in de map omschrijft de leerkracht “de toedracht”. Bij de derde melding in de map worden de ouders op de hoogte gebracht van het pestgedrag. Leerkracht(en) en ouders proberen in goed overleg samen te werken aan een bevredigende oplossing.

 

De leerkracht biedt altijd hulp aan de gepeste en begeleidt de pester, indien nodig in overleg met de ouders en/of externe deskundigen.

 

 

 

 

De leerkracht heeft het idee dat er sprake is van onderhuids pesten.

 

 

In zo’n geval stelt de leerkracht een algemeen probleem aan de orde om langs die weg bij het probleem in de klas te komen.

 

 

De leerkracht ziet dat een leerling wordt gepest, of de gepeste of medeleerlingen komen het melden.

Wanneer stap 1 t/m 4 geen positief resultaat opleveren voor de gepeste, worden de onderstaande sancties gehanteerd:

 

 

 

De leerkracht neemt duidelijk een stelling in.

De straf is opgebouwd in 5 fases: afhankelijk van hoelang de pester door blijft gaan met zijn/ haar pestgedrag en geen verbetering vertoond in zijn/haar gedrag.

 

FASE 1:

  • Een of meerdere pauzes binnen blijven.
  • Nablijven tot alle kinderen naar huis vertrokken zijn.
  • Een schriftelijke opdracht zoals een stelopdracht over de toedracht en zijn of haar rol in het pestprobleem.   
  • Door gesprek: bewustwording van wat hij/zij met het gepeste kind uithaalt.
  • Afspraken maken met de pester over gedragsveranderingen. De naleving van deze afspraken komen aan het einde van iedere week (voor een periode) in een kort gesprek aan de orde.

 

FASE 2:                                                                                              

  • Een gesprek met de ouders, als voorgaande acties op niets uitlopen. De medewerking van de ouders wordt nadrukkelijk gevraagd om een einde aan het probleem te maken. De school heeft alle activiteiten vastgelegd in de “Dit-kan-niet-map” en de school heeft al het mogelijke gedaan om een einde te maken aan het pestprobleem.

 

FASE 3:

  • Bij aanhoudend pestgedrag kan deskundige hulp worden ingeschakeld zoals de Schoolbegeleidingsdienst, de schoolarts van de GGD of schoolmaatschappelijk werk.

 

FASE 4:

  • Bij aanhoudend pestgedrag kan er voor gekozen worden om een leerling tijdelijk in een andere groep te plaatsen, binnen de school. Ook het (tijdelijk) plaatsen op een andere school behoort tot de mogelijkheden.

 

FASE 5:

  • In extreme gevallen kan een leerling geschorst of verwijderd worden.      

(zie hiervoor het protocol – toelaten, schorsen en verwijderen leerlingen)

 

BEGELEIDING VAN DE GEPESTE LEERLING:

 

Medeleven tonen, luisteren en vragen: hoe en door wie wordt er gepest?

Nagaan hoe de leerling zelf reageert, wat doet hij/zij voor tijdens en na het pesten?

Huilen of heel boos worden is juist vaak een reactie die een pester wil uitlokken.

De  leerling in laten zien dat je op een andere manier kunt reageren.

Zoeken en oefenen van een andere reactie,  bijvoorbeeld je niet afzonderen.

Het gepeste kind in laten zien waarom een kind pest.

Nagaan welke oplossing het kind zelf wil.

Sterke kanten van de leerling benadrukken.

Belonen (schouderklopje) als de leerling zich anders/beter opstelt.

Praten met de ouders van de gepeste leerling en de ouders van de pester(s).

Het gepeste kind niet overbeschermen. Bijvoorbeeld naar school brengen of zeggen:

“Ik zal het de pesters wel eens gaan vertellen”.

Hiermee plaats je het gepeste kind juist in een uitzonderingspositie waardoor het pesten zelfs nog toe kan nemen.

 

 

 

 

 

BEGELEIDING VAN DE PESTER:

 

In gesprek gaan. Zoeken naar de reden van het ruzie maken/pesten (baas willen zijn, jaloezie, verveling, buitengesloten voelen).

Laten inzien wat het effect van zijn/ haar gedrag is voor de gepeste.

Excuses aan laten bieden.

In laten zien welke sterke (leuke) kanten de gepeste heeft.

Pesten is verboden in en om de school. Wij houden ons aan deze regel: straffen als het kind wel pest – belonen (schouderklopje) als kind zich aan de regels houdt.

Het kind leren niet meteen kwaad te reageren, maar leren beheersen, de “stop-eerst-nadenken-houding” of een andere manier van gedrag aanleren.

Contact tussen ouders en school. Elkaar informeren en overleggen. Inleven in het kind.

Wat is de oorzaak van het pesten? *

Zoeken van een sport of club, waar het kind kan ervaren dat contact met andere kinderen wel leuk kan zijn.

Inschakelen hulp. Sociale vaardigheidstrainingen; jeugdgezondheidszorg; huisarts; GGD

 

 

 

 

* Oorzaken van pestgedrag kunnen zijn:

 

  • Een problematische thuissituatie;
  • Voortdurend gevoel van anonimiteit (buitengesloten voelen);
  • Voortdurend in een niet-passende rol worden gedrukt;
  • Voortdurend met elkaar de competitie aan gaan;
  • Een voortdurende strijd om macht in de klas of in de buurt;

 

 

ADVIEZEN AAN DE OUDERS:

 

 

Ouders van gepeste kinderen:

 

  • Houd de communicatie met uw kind open, blijf in gesprek met uw kind.
  • Als pesten niet op school gebeurt, maar op straat, probeert u contact op te nemen met          de ouders van de pester(s) om het probleem bespreekbaar te maken.
  • Pesten op school kunt u het beste direct met de leerkracht bespreken.
  • Door positieve stimulering en zgn. schouderklopjes kan het zelfrespect vergroot worden of weer terug komen.
  • Stimuleer uw kind tot het beoefenen van een sport.
  • Steun uw kind in het idee dat er een einde aan het pesten komt.

 

 

Ouders van pesters:

 

  • Neem het probleem van uw kind serieus.
  • Raak niet in paniek: elk kind loopt kans pester te worden.
  • Probeer achter de mogelijke oorzaak te komen.
  • Maak uw kind gevoelig voor wat het  anderen aandoet.
  • Besteed extra aandacht aan uw kind.
  • Stimuleer uw kind tot het beoefenen van een sport.
  • Corrigeer ongewenst gedrag en benoem het goede gedrag van uw kind.
  • Maak uw kind duidelijk dat u achter de beslissing van school staat.

 

 

Alle andere ouders:

 

  • Neem de ouders van het gepeste kind serieus.
  • Stimuleer uw kind om op een goede manier met andere kinderen om te gaan.
  • Corrigeer uw kind bij ongewenst gedrag en benoem goed gedrag.
  • Geef zelf het goede voorbeeld.
  • Leer uw kind voor anderen op te komen.
  • Leer uw kind voor zichzelf op te komen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemene gedragsregels:

 

We noemen elkaar bij de naam en de leerlingen spreken de leerkrachten aan met juf/meester.

We hebben respect voor elkaar en elkaars spullen.

We wandelen in de school.

We luisteren naar elkaar en praten op een rustige manier met elkaar.

We gaan op een positieve manier met elkaar om.

 

Het begin en einde van de dag:

 

Tassen en jassen

De jassen en tassen worden opgehangen aan de kapstok.

De leerlingen van groep 1/2/3/ leggen hun tassen in de bak. Een grote tas mag op de grond.

Bekers op de kast.

We dragen geen pet op in de klas.

 

Meegebracht speelgoed

Het meegebrachte speelgoed wordt gelegd in de meeneembak. (Alleen op speelgoeddag)

Mobieltjes gaan in de la van de leerkracht.

Kleine dingetjes blijven in de jaszak/tas.

Grote dingen worden  in de vensterbank of op de kast gelegd.

Fietssleutels worden bewaard in een bakje of in het sleutelkastje.

 

Binnenkomen

De leerlingen van 1/2 mogen voor schooltijd naar binnen en kunnen rustig iets uit de kast pakken. (vrije inloop)

De leerlingen van 4-8 gaan tot 15 minuten voor aanvang naar binnen.. De leerkracht wenst ze goedemorgen bij de deur van de klas. ’s Middags spelen de kinderen op het plein tot de bel gaat.

Leerlingen gaan rustig op hun plaats gaan zitten.

 

Stil zijn en stilteteken

Er wordt gebruik gemaakt van het “stilte teken.” Hierbij wordt de hand opgestoken. Kinderen nemen dit gebaar over.

Ook tijdens de instructie wordt niet gesproken. In de klas wordt dit duidelijk gemaakt met een stoplicht.

 

De school gaat uit

Na evaluatie van de dag wordt de stoel op tafel gezet, Op teken van de leerkracht mogen de leerlingen naar buiten lopen.

De leerlingen van groep 1/2 gaan 2 aan 2 naar buiten.

 

Overgangen en onderbrekingen:

 

Toiletbezoek

Per keer mogen slechts 1 jongen en 1 meisje het toilet bezoeken. Dit wordt aangegeven met een rode of groene schijf of pictogrammen. Kinderen mogen naar het toilet wanneer ze moeten. Uitgezonderd een half uur nadat we zijn begonnen of voor we naar huis gaan en tijdens instructies/ de kring.

        

Buiten de klas werken

Kinderen mogen alleen met toestemming van de leerkracht de klas uit. Wanneer de leerkracht even de klas uit is, mogen ze niet op zoek gaan door de school, maar blijven ze in de klas wachten tot de leerkracht terug is.

 

Gedrag op de gang

De kinderen wandelen in de gangen.

Ze praten op een gewone toon met elkaar praten.

We ravotten en rennen buiten.

 

Klaar met het werk

De kinderen die klaar zijn vinden extra werk in hun postvak. Te denken valt aan:

Even snel, Verder, plus, Rekenspelletje, BLOON, werkbladen, puzzeltjes, zelf corrigerend materiaal.

 

Gebruik van het lokaal, materialen en apparatuur:

 

Omgang met tafel, stoel en vak

Elk kind heeft v.a. groep 3 een eigen tafelen stoel in het lokaal.

Iedereen heeft een vak waarin een kleurdoos, schrijfgerei van school, kladblok, liniaal, puntenslijper, gum, plakstift en schaar een plek kunnen krijgen. Er mogen geen andere spullen in!

In het vak ligt:, lesboeken van taal en rekenen, een leesboek.

Er mogen geen stickers op de tafels en stoelen geplakt worden.

Je mag niet wippen op je stoel!

 

Hoeken en werkplekken

Je ruimt op wat je hebt gebruikt en je gaat zorgvuldig met de materialen om.

 

Kasten  en andere opbergruimten

Wat je pakt, leg je op dezelfde plek terug. Samen zorgen we dat het netjes blijft. D.w.z. wanneer je ziet dat iets niet goed ligt, berg het dan alsnog even op

 

Materiaal uitdelen

In iedere groep is een klassendienst. Deze deelt de materialen uit. Iedere week word er in elke groep een nieuwe klassendienst gekozen.

 

Gebruik van de waterkraan, de puntenslijper, e.d.

Je mag altijd even wat drinken als je dorst hebt of je handen moet wassen, uitgezonderd van instructies/ kring. Het puntenslijpen mag de leerling zelf geregeld worden. Ook nu niet tijdens instructies of de kring

 

Taken bij het netjes houden van het lokaal

In elke groep hebben de leerlingen klassendienst: vegen, planten water geven, computers uitdoen, stoelen op tafel zet

 

Gebruik van de computer

De leerkracht/ klassendienst zet ’s morgens de pc’s aan en sluit deze aan het eind van de dag af.

De pc wordt gebruikt als tekstverwerker en om leerspellen/ educatieve software (o.a. Rekentuin/ Bloon/ Ambrasoft en spellenpakket) te doen.

Je mag niet langer dan 10 min een leerspel doen achter de pc (tenzij je toestemming hebt van de leerkracht om er langer achter te gaan)

 

Socialmedia als Facebook en Hyves zijn verboden, evenals youtube e.d..

 

Werkafspraken in de school

 

Werken in schriften

  • De bladzijden worden vol gemaakt voordat op een andere bladzijde gewerkt wordt.
  • We schrijven netjes tussen de lijnen en in de hokjes en maken gebruik van de kantlijn.
  • In het schrijfschrift kunnen stickers worden verdiend..
  • We kiezen (zo nodig) het schrift van de dag om werk dat er netjes uit ziet te belonen en anderen te stimuleren netjes te werken.
  • Teksten worden eerst in het klad geschreven en pas na het nakijken (met de leerkracht) in het projectschrift geschreven. Bij de tekst komt geen geprint plaatje van internet, maar een zelfgemaakte tekening.

 

Schrijfgerei

  • Kinderen in groep 1, 2 en 3 schrijven altijd met potlood in hun schriften/ werkboekjes.
  • Kinderen van groep 4 schrijven met potlood. In hun projectschrift en schrijfschrift (pennenstreken) moeten ze met blauwe Stabilo pen schrijven.
  • Kinderen van groep 5 t/m 8 schrijven met pen. Lijnen en sprongen op getallenlijnen worden met potlood gemaakt.

 

Verbeteren

  • Verbeteren doen we tussen haakjes (met pen) en gummen (met potlood)
  • Werk moet verbeterd worden bij:
    • slordig en onzorgvuldig werk
    • wanneer de stof niet beheerst wordt
    • bij fouten in de spelling (hierbij verbetert het kind het woord zelf en corrigeert de leerkracht het woord dus niet!!)

 

 Bovenkant formulier


vb

Stichting